Temperatuurinstellingen
Alles bij 3D-printen draait rond de juiste temperatuurregeling. Je vertrekt van een hard stukje plastic, verwarmt dat net genoeg tot het smelt, deponeert het en laat het dan weer afkoelen tot het terug uitgehard is. Als je hier geen goede controle over hebt, loopt je print gegarandeerd fout. De temperatuur van je nozzle en je printbed zijn de belangrijkste instellingen waarmee je controle krijgt over het proces.
Het moeilijke is dat er geen standaardtemperatuur bestaat. Zelfs twee spoelen PLA van een ander merk (of zelfs van een andere kleur binnen hetzelfde merk) kunnen vlot 5 tot 10 graden schelen in de ideale printtemperatuur. De juiste temperatuurinstelling vinden, is iets wat je moet leren met wat ervaring.
Nozzletemperatuur: het smeltpunt
De temperatuur van de printkop (de hotend) bepaalt hoe vloeibaar het plastic wordt. Denk aan honing: als het koud is, is het dik en plakkerig, als je het opwarmt wordt het vloeibaarder. Voor 3D-printen zoek je altijd een balans.
Is de temperatuur **te laag**, dan blijft het filament te stroef. Je extrudermotor moet dan héél hard werken om het gesmolten plastic eruit te krijgen. Hierdoor krijg je 'onderextrusie' (gaten in je print), slechte hechting tussen lagen (de lagen willen niet samensmelten en breken los) of zelfs een verstopte nozzle.
Is de temperatuur **te hoog**, dan wordt je filament veel te vloeibaar. Het druppelt dan als water uit de nozzle, zelfs zonder dat de motor duwt. Hierdoor krijg je 'stringing' (van die fijne draadjes tussen losse delen), 'oozing' (lekken) en hangen oversteekjes zelfs helemaal door zoals een pudding. Ook kan het plastic verbranden in de nozzle, waardoor je zwarte stipjes krijgt in je print.
Bedtemperatuur: hechting en kromtrekken
Het verwarmd printbed (heated bed) is er om ervoor te zorgen dat de eerste lagen van je print goed blijven plakken en niet gaan opkrullen. Dat opkrullen noemen we 'warping'. Warping ontstaat omdat plastic altijd krimpt wanneer het afkoelt. Als de bovenste laagjes beginnen te krimpen, trekken ze aan de onderkant van de print, waardoor de hoeken omhoog komen.
Door je printbed te verwarmen, hou je de onderste lagen van je print net boven hun 'glasovergangstemperatuur' (het punt waarbij het plastic soepel wordt). Hierdoor blijft het materiaal ontspannen en trekt het niet samen zolang de print bezig is. Alles koelt dan traag en gelijkmatig af zodra het printen gedaan is.
Richtwaarden per materiaal
Iedere spoel is verschillend, maar deze temperaturen zijn een veilige start per courant materiaal:
- PLA: Nozzle: 190°C - 215°C | Bed: 50°C - 60°C. PLA is erg gemakkelijk. Het printbed hoeft niet bijzonder heet te staan, soms lukt het zelfs op een koud bed met blauwe tape. De koeling (fan) mag gerust op 100% gezet worden voor mooi strakke prints.
- PETG: Nozzle: 230°C - 250°C | Bed: 70°C - 85°C. PETG vraagt wat meer warmte om goed te werken. Let op: zet je ventilator lager (30-50%), anders kunnen de lagen broos worden.
- ABS / ASA: Nozzle: 240°C - 260°C | Bed: 90°C - 110°C. Dit materiaal is wat lastig: het krimpt fel. Je bed moet erg warm staan en je mag zeker GEEN ventilator gebruiken, want dan barst je print open (delaminatie).
- TPU (Flexibel): Nozzle: 210°C - 230°C | Bed: 40°C - 60°C. Flexibel filament print je rustig en gelijkmatig. Te koud? Dan raak je vast, te warm en het wordt plakkerig.
De temp-toren (Temperature Tower)
Hoe zoek je nu de beste temperatuur voor jouw filament uit? Door te testen. Gebruikelijk doe je dat met een zogenaamde 'Temperature Tower'.
Zo'n temp-toren is een verticaal testmodel opgebouwd uit blokjes. Via een script laat je de printer na ieder blokje de temperatuur aanpassen (vb. onderaan 220°C, bovenaan 180°C). Na het printen kijk je de toren na op drie punten: bij welk blokje zijn de details het best? Waar heb je het minst last van draadjes of stringing? En als je eraan trekt, waar is het blokje het stevigst? Het blokje dat op al deze vlakken het beste scoort, bepaalt voor jouw specifieke spoel de perfecte temperatuur.